Home » Cursus Gimp » 9. Lagen gebruiken in GIMP: alles wat je moet weten

Laatste update:

9. Lagen gebruiken in GIMP: alles wat je moet weten

Wat zijn lagen en hoe werk je ermee in GIMP? Hoe voeg je lagen toe? Hoe bewerk je lagen in GIMP?

Je kan niet met een beeldbewerkingsprogramma werken als je niet begrijpt wat lagen zijn. Ze vormen de basis van hoe je beelden opbouwt en bewerkt. Op deze pagina leer je wat lagen zijn, waarom ze zo belangrijk zijn, en hoe je ze zelf gebruikt.

Wat zijn lagen?

Wanneer je in een beeldbewerkingsprogramma zoals GIMP werkt, kan je je afbeelding opbouwen met verschillende onderdelen die op elkaar liggen. Elk van die onderdelen noemen we een laag.

Advertentie

Stel je bijvoorbeeld voor dat je een achtergrondkleur hebt, daarboven een foto, en daarop nog wat tekst. Dat zijn drie lagen: een tekenlaag voor de achtergrond, een afbeeldingslaag voor de foto en een tekstlaag voor de tekst.

Je kan lagen vergelijken met doorschijnende vellen die je op elkaar legt. Wat je op de bovenste lagen zet, zie je altijd. Wat je op de onderste lagen zet, zie je alleen als de bovenste lagen (deels) transparant zijn of kleiner zijn.

Als je je werk opslaat als een JPEG of PNG, worden alle lagen samengevoegd tot één geheel. Wil je de lagen bewaren om later verder te bewerken? Bewaar je bestand dan in het GIMP-formaat (XCF-bestand).

Waarom gebruiken we lagen?

Lagen zijn geen extraatje, ze zijn een essentieel hulpmiddel bij fotobewerking. Ze bieden veel voordelen:

  • Je kan composities maken waarin je verschillende beelden, tekeningen en teksten combineert.
  • Je houdt controle over elk onderdeel apart. Wil je een stukje verplaatsen, groter maken of vervagen? Dan bewerk je alleen die laag.
  • Je kan gemakkelijk back-ups maken door lagen te dupliceren.
  • GIMP maakt automatisch nieuwe lagen aan voor bepaalde acties, bijvoorbeeld als je tekst toevoegt.

Dankzij lagen kan je flexibel en creatief werken zonder je originele afbeelding permanent te veranderen.

Waar vind je de instellingen voor lagen?

Er zijn verschillende manieren om lagen te beheren:

  • In het menu Beeld kan je Laaggrens tonen aanvinken. Dit zorgt dat je een gekleurde rand ziet rond de grenzen van elke laag. Zo weet je precies hoe groot een laag is.
  • In het menu Lagen kan je nieuwe lagen aanmaken, lagen dupliceren of lagen samenvoegen.
  • Het handigste is meestal het lagenvenster, meestal rechts in je scherm. Hier zie je al je lagen in een lijst, inclusief miniatuurvoorbeelden. Je selecteert een laag door erop te klikken. Bovenaan kan je de dekking aanpassen en onderaan nieuwe lagen toevoegen. Met slepen verander je de volgorde.

Hoe werkt transparantie?

Soms wil je dat een deel van een laag doorzichtig is zodat je de onderliggende lagen kan zien. Dit kan op twee manieren:

  • Door gedeelten van een laag transparant te maken met bijvoorbeeld de gum. Daarvoor moet de laag een alfakanaal hebben. Dat alfakanaal is een soort transparantielaag. Met Rechtermuisknop > Alfakanaal toevoegen kan je dat activeren.
  • Door de hele laag gedeeltelijk transparant te maken via de schuifbalk Dekking bovenaan het lagenvenster.

Als je iets wist in een laag met alfakanaal, zie je een geblokt patroon. Dat betekent dat die delen nu transparant zijn.

Hoe maak je nieuwe lagen?

Er zijn veel manieren om nieuwe lagen te maken:

  • Klik in het lagenvenster onderaan op Nieuwe laag maken.
  • Plak een gekopieerde afbeelding als een nieuwe laag via Bewerken > Plakken als > Nieuwe laag.
  • Dupliceer een bestaande laag met Rechtermuisknop > Laag dupliceren.

Wanneer je een nieuwe laag aanmaakt, kan je kiezen voor een transparante achtergrond of een achtergrondkleur.

Probeer maar eens twee afbeeldingen samen te voegen:

  1. Open twee afbeeldingen.
  2. Kopieer de ene afbeelding.
  3. Ga naar de andere afbeelding en kies Plakken als > Nieuwe laag.
  4. In het lagenvenster zie je nu beide lagen. Met slepen kan je de volgorde aanpassen.
  5. Klik op het oogicoon om lagen tijdelijk te verbergen.

Laaggrootte en laaggrenzen

Elke laag heeft zijn eigen formaat. Soms wil je een laag groter of kleiner maken:

  • Laag naar afbeeldingsgrootte maakt de laag net zo groot als je hele afbeelding.
  • Bijsnijden tot beeldinhoud verkleint de laag tot het kleinste formaat waarin alle inhoud past.

Als je een kleinere laag hebt, kan je bijvoorbeeld niet buiten de grenzen tekenen. Pas dan eerst de laaggrootte aan.

Laagmodi

Een bijzonder krachtig hulpmiddel zijn de laagmodi. Hiermee bepaal je hoe een laag mengt met de lagen eronder. Standaard staat dit op Normaal, wat betekent dat de bovenste laag de onderliggende gewoon bedekt.

Andere interessante modi zijn bijvoorbeeld:

  • Vermenigvuldigen: maakt de onderliggende lagen donkerder.
  • Enkel lichter maken: zorgt dat alleen de lichte delen van de bovenste laag zichtbaar zijn.
  • Enkel donkerder maken: toont vooral de donkere delen.

Probeer ze uit en bekijk hoe ze je compositie beïnvloeden.

Belangrijke tip

Welke laag je actief hebt, bepaalt waarop je bewerkingen toepast. Wil je bijvoorbeeld een filter gebruiken, zoals Gaussiaans vervagen, zorg dan dat je eerst op de juiste laag hebt geklikt in het lagenvenster. Anders bewerk je per ongeluk een andere laag.

Klik nu op de volgende les als je klaar bent om verder te gaan.

Office-toepassingen

Cursus MS Excel

Cursus MS Word

Cursus MS PowerPoint

Cursus MS Outlook

Cursus MS Access

Grafische programma's

Basiscursus Adobe Photoshop

Basiscursus GIMP

Basiscursus Adobe Lightroom

Mobiel

Cursus Android smartphones

Bedrijfstoepassingen

Cursus Google Analytics

Cursus Google Ads

Cursus SEO

Cursus Wordpress